Koraal logo
Terug naar overzicht

“Zolang je jezelf bent, kom je heel ver” Isolde over kiezen voor zichzelf op de Hondsberg

Isolde Rijnen is 24, en vandaag is haar eerste dag op een nieuwe groep. Twee jaar geleden liep ze hier voor het eerst mee, een meeloopdag die ze zichzelf had beloofd als kroon op haar laatste stagejaar. Ze ging naar huis, zei tegen haar moeder “dit is het”, en is sindsdien niet meer weg te slaan geweest. Bosplein 4 was haar eerste groep, na vandaag is dat Schoolweg 8. Nog geen dag heeft ze gehad waarop ze geen zin had om te gaan.

Op zoek naar wat wél bij haar paste

Isolde begon niet bij de Hondsberg, ze kwam er via een omweg. Na de middelbare school werd ze eerst onderwijsassistent, drie jaar lang, met het plan om daarna de lerarenopleiding te doen. Maar in die drie jaar merkte ze al snel dat ze weliswaar dol was op werken met kinderen, alleen niet in een klaslokaal. Ze liep stage op basisscholen in Tilburg, in wijken waar het leven van veel kinderen een stuk minder eenvoudig uitzag dan op papier. Ze zag dingen die haar raakten en die ze niet zomaar kon loslaten als de schooldag voorbij was.

“Daar heb ik veel buikpijn van gehad,” zegt ze over die tijd, over kinderen die ze aan het eind van de dag weer naar huis zag gaan, terug naar een situatie waar zij part noch deel aan kon hebben.

Ze wist toen al: dit is mijn doelgroep, maar ze twijfelde serieus of ze het zelf wel aankon. Op haar zestiende kreeg ze, laat, de diagnose ADHD, iets waar ze op de basisschool nooit de juiste begeleiding voor had gekregen. Ze nam een tussenjaar, kwam zichzelf tegen, en koos uiteindelijk voor de brede opleiding Social Work. Bewust koos ze ervoor de eerste twee jaar juist niets met kinderen te doen, om zichzelf uit haar comfortzone te trekken. Ze werkte met dak- en thuislozen, met mensen met verslavingsproblematiek, en in een Thomashuis, een kleinschalige woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking. Dat laatste vond ze meteen “super tof”.

Maar haar hart lag bij kinderen. Ze had op school ooit een oude documentaire gezien over de Hondsberg, een plek die haar meteen bijbleef: “Dit sprak mij heel erg aan. En toen dacht ik al, zo van: dit is het.” Ze gaf zichzelf de stage op de Hondsberg als beloning in haar laatste stagejaar. Op haar eerste meeloopdag maakte ze binnen no time contact met de kinderen, speelde spelletjes, kletste. Het is, zegt ze, de eerste werkplek waar ze met evenveel plezier naartoe gaat als ze ervandaan komt.

Denken op twee keer snelheid

Wat bij een ander misschien een obstakel was geweest, noemt Isolde zonder aarzelen haar grootste troef. Op haar vorige groep, Bosplein 4, zaten veel kinderen met ADHD, en ze herkende zichzelf voortdurend in hen.

“Mijn ADHD is echt mijn kracht,” zegt ze. “Ik denk heel veel na, maar ook heel snel na, op twee keer afspeelsnelheid. Als iets niet lukt, dan kun je het altijd nog zo proberen, en als dat ook niet gaat, dan proberen we het weer anders.”

Ze maakt het zichzelf ook niet moeilijker dan nodig: wat andere mensen van haar vinden, laat haar oprecht koud. Die onbevangenheid maakt haar soms impulsief, waardoor ze weleens iets geks doet of zegt, maar precies dat, zegt ze, zorgt er ook voor dat mensen haar zoals ze is leren waarderen. Ontwikkelen wil ze zichzelf voortdurend: ze vraagt zelf om cursussen zodra ze iets nodig heeft, over trauma, hechting, LVB of autisme, en gaat jaarlijks met haar teamleider in gesprek over waar ze nog in wil groeien. Precies om die reden koos ze er zelf voor om na twee jaar over te stappen naar een andere groep, gewoon om zichzelf weer opnieuw uit te dagen.

Meeleven, niet inleven

Wat haar in twee jaar tijd het meest heeft geholpen, zegt ze, is een team waarin je open kunt zijn als het even niet lekker gaat. Ze heeft daar zelf een vast ritueel voor: na een zware dienst even naar buiten, een sigaret, wat water drinken, alles van zich af laten glijden. Daarna de administratie afwerken, ook als dat betekent dat ze twee of drie uur overwerkt, omdat ze de volgende dag niet wil beginnen met de rotzooi van de dag ervoor. En als het echt niet meer lukt, is er een collega bij wie ze het allemaal even kwijt kan, voor ze met muziek op naar huis rijdt.

“Je moet meeleven met de kinderen, maar je moet je niet inleven in de kinderen,” zegt ze. “Want als je gaat inleven, dan neem je het mee naar huis.”

Volhouden, ook op een zware dag

Niet elke dag gaat over rozen, en Isolde is daar eerlijk over. Er was een moment waarop een escalatie flink uit de hand liep en haar ook persoonlijk raakte. Toch was er de volgende dag maar één ding dat ze wilde: zelf weer de begeleiding van dat kind op zich nemen.

“Ik wilde juist laten zien dat het me niet afschrikt,” vertelt ze. “Dat ik ervoor diegene blijf, ondanks de dingen die soms gebeuren. Ik denk dat veel kinderen dat missen.”

Het is precies dat soort volhouden waar ze in gelooft: iedereen verdient een kans, en als het niet de eerste is, dan de tweede, de derde, of de vierde.

Een dag die nooit helemaal hetzelfde is

Vraag Isolde naar een gewone dienst, en ze somt moeiteloos op wat er allemaal gebeurt tussen het wakker maken en het slapen leggen: tanden poetsen, ontbijten, samen even kletsen over hoe de nacht of het weekend was, de kinderen naar school brengen, koffie en overdracht met collega's, de aftekenlijst met wasjes, stofzuigen, medicatie aftekenen, rapportages lezen. Om twee uur begint de middag opnieuw, met een overdracht en een blik per kind: hoe komt hij of zij uit school? Eén cliënt op haar oude groep kreeg bijvoorbeeld altijd twee kaartjes met activiteiten om zelf te kiezen, om overprikkeling te voorkomen.

Wat voor haar niet onderhandelbaar is, is de aandacht tijdens de avonddienst. Ze zit dan niet achter de computer, tenzij er echt niets te doen is.

“Ik vind het gewoon echt belangrijk. Ik ben er dan voor die kinderen, totdat ze naar bed gaan,” zegt ze. Pas als iedereen slaapt, gaat ze achter de laptop zitten om de rapportages te schrijven.

Grenzen die vertrouwen geven

Op haar zeventiende, tijdens een eerdere stage, vond ze het nog spannend om een grens te stellen. Inmiddels is dat compleet omgedraaid. Het liefst zegt ze altijd ja, en gunt ze de kinderen alles, maar ze weet ook precies wanneer een ja op termijn juist voor teleurstelling zorgt.

“Nee is nu bijna mijn favoriete woord,” zegt ze. “Het scheelt je gewoon zoveel.”

Ze legt altijd uit waarom ze nee zegt, zodat kinderen het kunnen volgen: als het vandaag mag en morgen bij een ander niet, dan snapt niemand meer waar hij aan toe is. In het begin van een nieuwe groep duurt het even voor kinderen haar door en door kennen, dat erkent ze volmondig. Maar wie vanaf dag één duidelijk en consequent is, is sneller door die aftastfase heen dan wie zichzelf pas na een paar maanden laat zien. Op termijn is dat juist waar het vertrouwen op gebouwd wordt: kinderen weten precies wat ze aan haar hebben, en op een gegeven moment is een blik al genoeg.

“Zolang je gewoon oprecht jezelf bent, en je niet anders gaat voordoen dan dat je bent,” zegt ze, “dan kom je heel ver met de kinderen.”

In het begin van haar stage was ze zelf nog wat terughoudender, keek ze een beetje de kat uit de boom en observeerde ze vooral hoe het er hier aan toeging. Inmiddels is ze trots op wie ze is geworden en hoe ze te werk gaat. Ze heeft ook collega's zien vertrekken die zich in het begin heel anders voordeden dan wie ze uiteindelijk bleken te zijn. Daar breek je volgens haar uiteindelijk zelf op, want de kinderen hebben het altijd door.

Het team dat met je door de dalen gaat

Als er iets is wat voor Isolde met stip op nummer één staat, is het haar team. Niet iedere collega hoeft een vriend te worden, en dat is voor haar geen probleem.

“Ik heb ook een collega gehad waar ik op persoonlijk vlak niet zoveel mee had,” vertelt ze, “maar qua collega was dit wel iemand waarvan ik dacht: als ik met haar werk, dan komt het goed.”

Een andere collega werd juist een van haar beste vriendinnen, na alles wat ze samen meemaakten, ook buiten werktijd. Beide vormen zijn voor haar evenveel waard. Wat ze wel belangrijk vindt: dat je met elkaar praat, ook over de zware diensten, en dat je elkaar af en toe ook buiten werk opzoekt. Wie samen door diepe dalen en hoge pieken gaat, leert elkaar volgens haar zo goed kennen dat een blik en een knikje op een gegeven moment genoeg zijn.

Verder kijken dan vandaag

Isolde weet allang waar ze ooit naartoe wil: de jeugdgevangenis in Breda, iets dat haar “super tof” lijkt. Maar ze is eerlijk over waar ze nu staat: daar is ze nog niet klaar voor. Op de Hondsberg ziet ze zichzelf de komende vijf, zes jaar nog volop leren, het liefst op zoveel mogelijk verschillende groepen, ook met oudere jongeren. Ze draait weleens een nachtdienst, een wakkere nacht, puur omdat ze het waardevol vindt om zelf te ervaren en te begrijpen wat dat voor een kind betekent.

Over de toekomst van de jeugdhulp maakt ze zich wel zorgen. In twee jaar tijd ziet ze de doelgroep al heftiger en brutaler worden, de kinderen luisteren minder snel dan een jaar geleden. Ze gelooft dat organisaties moeten blijven meebewegen met de wereld waarin kinderen nu opgroeien, in plaats van vast te houden aan hoe het vroeger ging. En ze is stellig over groepsgrootte: kleinere groepen werken beter dan grote, ook al is dat met de huidige wachtlijsten geen eenvoudige keuze.

Dit is het verhaal van Isolde, die na twee jaar nog altijd met evenveel plezier naar binnen loopt als op haar eerste dag, en die liever laat zien wie ze is dan wie ze zou moeten zijn.